Artikel 82: Indiening wetsvoorstellen; initiatief
- Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
- Voorstellen van wet waarvoor behandeling door de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en, voor zover de betreffende artikelen van hoofdstuk 2 dit toelaten, door de verenigde vergadering.
- Voorstellen van wet, in te dienen door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering, worden bij haar door een of meer leden aanhangig gemaakt.
In andere talen:
Inhoud
Toelichting
Wetsvoorstellen kunnen worden ingediend door de regering en door de Tweede Kamer. Dit laatste heet het recht van initiatief.
Het recht van initiatief is zo geregeld dat één of meer leden van de Tweede Kamer, de initiatiefnemers, een wetsvoorstel in de Tweede Kamer ter behandeling aanbieden. Dat wordt 'aanhangig maken' genoemd. De Tweede Kamer behandelt het wetsvoorstel in aanwezigheid van de regering. De initiatiefnemer of -nemers verdedigen het voorstel. Dan besluit de Tweede Kamer of het voorstel zal worden ingediend. Wordt daartoe besloten dan zendt de Tweede Kamer het wetsvoorstel naar de Eerste Kamer (artikel 85).
In enkele artikelen van de paragraaf over de Koning wordt wetgeving genoemd waarvoor behandeling in verenigde vergadering verplicht is. Ook dan geldt het recht van initiatief, tenzij in dat artikel staat dat zo'n wetsvoorstel alleen door de regering (vanwege de koning) kan worden ingediend. Een voorbeeld daarvan is artikel 29.
De Eerste Kamer heeft het recht van initiatief niet.
Formele toelichting
In de Grondwet wordt wat betreft wetsvoorstellen onderscheid gemaakt tussen het indienen van voorstellen van wet en het aanhangig maken daarvan.
Er zijn wetsvoorstellen die alleen kunnen worden ingediend door de regering, of - indien behandeling in verenigde vergadering voorgeschreven is en de desbetreffende regeling in de Grondwet het niet uitsluit - door de verenigde vergadering (artikel 82, tweede lid).
Het recht de eventuele indiening van een initiatiefwetsvoorstel aanhangig te maken is uitdrukkelijk toegekend aan één of meer leden van de Tweede Kamer of van de verenigde vergadering (artikel 82, derde lid).
Zolang een initiatiefwetsvoorstel nog niet tot stand is gekomen, dus tijdens de parlementaire behandeling, kan het door degenen die het aanhangig gemaakt hebben worden gewijzigd of ingetrokken (artikel 84, tweede lid, en 86, tweede lid). Ook kan het door de Tweede Kamer of de verenigde vergadering worden gewijzigd (geamendeerd) (artikel 84, tweede lid).
Is er eenmaal een initiatiefwetsvoorstel, dat ter behandeling aan de Eerste Kamer is gezonden, dan kan het niet meer worden gewijzigd (artikel 85), en nog slechts worden ingetrokken door de Tweede Kamer (artikel 86, eerste lid, en artikel 85).
In eenvoudig Nederlands
- De regering en de Tweede Kamer kunnen voorstellen voor nieuwe wetten maken.
- Over sommige nieuwe wetten moeten de Eerste en de Tweede Kamer samen vergaderen. De regering maakt de voorstellen voor deze nieuwe wetten. In hoofdstuk 2 van de Grondwet staat wanneer de Eerste en de Tweede Kamer samen voorstellen mogen maken voor deze nieuwe wetten.
- Eén of meer Kamerleden mogen voorstellen voor nieuwe wetten maken en bespreken met de Tweede Kamer of met de Eerste en de Tweede Kamer samen.
Uitleg
Wie mogen voorstellen maken voor nieuwe wetten? Dit mogen de regering en de Tweede Kamer. De Eerste Kamer mag dit niet. De regering maakt in de praktijk de meeste voorstellen voor nieuwe wetten. De Tweede Kamer doet dit soms.
Als de regering een voorstel maakt voor een nieuwe wet, stuurt zij dit naar de Tweede Kamer.
Als de Tweede Kamer een voorstel maakt voor een nieuwe wet, stuurt de Tweede Kamer dit naar de Eerste Kamer. Hiervoor hebben één of meer Tweede Kamerleden het voorstel voor een nieuwe wet besproken met de andere Tweede Kamerleden.
Achtergronden
Historische ontwikkeling
Het recht van initiatief is - met het recht om wetsvoorstellen goed of af te keuren - het oudste parlementaire recht. De Grondwet van 1814 bepaalde dat de Staten-Generaal (die toen uit één Kamer bestond) het recht had voordrachten te doen aan de vorst. In 1815 werd het recht van initiatief verleend aan de Tweede Kamer. In 1848 bleef dit recht gehandhaafd, maar kreeg de Tweede Kamer daarnaast het recht om wetsvoorstellen te wijzigen (recht van amendement).
In 1887 werd in de Grondwet opgenomen dat de Tweede Kamer de schriftelijke en mondelinge verdediging van een initiatiefwetsvoorstel in de Eerste Kamer opdraagt aan één of meer Tweede Kamerleden. Voordien werden dergelijke initiatiefvoorstellen door de Eerste Kamer besproken zonder aanwezigheid van de indieners. Wel was toen de minister aanwezig.
De regering heeft twee keer een initiatief genegeerd: in 1917 en 1928. In 1917 onthield de regering goedkeuring aan een initiatiefwet-Marchant en in 1928 aan een initiatiefwet-Zijlstra. In beide gevallen ging het om voorstellen op onderwijsgebied (onderwijssalarissen en leerlingenaantallen) die geld kostten en waarover de Raad van State negatief adviseerde. De regering kwam echter zowel in 1917 als in 1928 korte tijd later zelf met wetten die grotendeels dezelfde uitwerking hadden als de twee niet ingevoerde initiatiefwetten.
In 2021 is in het reglement van orde van de Tweede Kamer (art. 9.25) een bepaling opgenomen over het automatisch vervallen van initiatiefvoorstellen waarvoor geen verdediger meer is.
Voor enkele onderwerpen die in verenigde vergadering worden behandeld, zoals de uitsluiting van troonopvolging (artikel 29), is alleen indiening door de regering toegestaan. Artikel 82 is sinds 1983 ongewijzigd.
Tijdlijn van het artikel
Wat veranderde er ?
gemarkeerd = toegevoegd · doorgestreept = verwijderd