Overslaan en naar de inhoud gaan


Vernieuwing kiesstelsel

Nederland heeft een kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging. Dat betekent dat elke partij het aantal zetels in het parlement krijgt dat overeenkomt met het percentage stemmen, met inachtneming van de kiesdeler. Het systeem van evenredige vertegenwoordiging kent verschillende voordelen, maar onderdelen van het Nederlandse kiesstelsel staan regelmatig ter discussie. Veel van die debatten hebben te maken met de verhouding tussen kiezer en gekozene.

Het huidige stelsel zou de vermeende kloof tussen politiek en burger vergroten, omdat alleen de lijsttrekkers van de partijen en soms de nummers twee en drie van een kandidatenlijst in beeld zijn bij kiezers. Bovendien is er geen persoonlijke of regionale band tussen kiezer en parlementariër. In 2005 deed toenmalig minister De Graaf een poging een tweestemmenstelsel in te voeren, maar zijn wetsvoorstel werd ingetrokken.

Het kabinet-Schoof wilde een stelsel met kiesdistricten invoeren om de regionale binding te versterken, maar viel in juni 2025 voordat daar een wetsvoorstel voor lag. In het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten staat een ander plan: de voorkeursstem moet meer gewicht krijgen en er komt onderzoek naar de invoering van een kiesdrempel. Dat laatste voorstel stemde de Tweede Kamer in februari 2026 weg.

Inhoud

  1. Het Nederlandse kiesstelsel
  2. Voordelen huidige kiesstelsel
  3. Bezwaren huidige kiesstelsel
  4. Initiatieven 21e eeuw

Het Nederlandse kiesstelsel

Sinds de Grondwetsherziening van 1917 kent Nederland een kiesstelsel op basis van evenredige vertegenwoordiging. Dit betekent dat de uitgebrachte stemmen evenredig verdeeld worden over het aantal beschikbare zetels in een vertegenwoordigend lichaam, zoals de Tweede Kamer. Alle stemmen op kandidaten van dezelfde partij worden vervolgens bij elkaar opgeteld en gedeeld door de kiesdeler (de hoeveelheid uitgebrachte stemmen gedeeld door het aantal beschikbare zetels). Het aantal zetels dat een partij krijgt is gelijk aan het aantal keren dat zij de kiesdeler volledig behalen, waarna de restzetels worden verdeeld volgens het systeem van grootste gemiddelden.

De zetels die een partij gekregen heeft worden dan verdeeld in de volgorde van de door de partijen opgestelde kandidatenlijst. Kandidaten die echter meer dan 25% van de kiesdeler aan voorkeurstemmen hebben gekregen worden bovenaan geplaatst. Als er na de verkiezingen een zetel vrij komt in de Kamer (bijvoorbeeld omdat een pas verkozen Kamerlid plaats neemt in de regering) gaat deze naar de eerstvolgende persoon op de kandidatenlijst.

Centraal in het concept van evenredige vertegenwoordiging staat het begrip representatie. Het Nederlandse parlement wordt geacht de gehele Nederlandse bevolking te representeren. Dat staat in artikel 50 Grondwet. Het kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging kan gezien worden als gevolg van die opvatting. In dat systeem telt immers iedere stem en is het mandaat van de kiezer het sterkst.

Voordelen huidige kiesstelsel

Minderheden

Het belangrijkste voordeel van ons huidige stelsel van evenredige vertegenwoordiging is het feit dat politieke minderheden zich ook kunnen laten horen. Nederland kent geen aparte kiesdrempel: één zetel is genoeg om in de Kamer te komen, en daarvoor is ongeveer 0,67 procent van de stemmen nodig. Op die manier kan iedere politieke minderheid zich vertegenwoordigd voelen in het parlement en is er ook ruimte voor kleine partijen.

Die kleine partijen hebben echter niet alleen de functie van het vertegenwoordigen van hun achterban. Zij kunnen het zich ook veroorloven om een positie in te nemen die verder af staat van het politieke midden, zowel aan de rechter- als de linkerkant. Dergelijke partijen hebben daardoor een belangrijke functie in het stimuleren van het politieke debat. Zulke partijen hebben een podium nodig en het parlement is daar bij uitstek geschikt voor.

Compromissen

Het stelsel van evenredige vertegenwoordiging zorgt er in de regel voor dat er altijd meer dan twee partijen in het parlement zitten, waarbij niet één de absolute meerderheid heeft. Dit zorgt ervoor dat partijen samen besluiten moeten nemen en dus compromissen moeten sluiten. Die compromissen hebben een positief effect. Ze zorgen er namelijk voor dat partijen een manier zoeken waarop veel mogelijk mensen zich kunnen verenigen met het gevoerde beleid en dat partijen niet alleen het belang van hun eigen kiezers verdedigen.

Representatie

Politieke partijen hebben een rekruteringsfunctie. Dat betekent dat zij de kandidaten voor hun kieslijsten selecteren, waar de kiezer vervolgens op kan stemmen. In het huidige systeem zijn partijen in staat om balans aan te brengen in hun lijsten. Zo kunnen met name grote fracties waken voor een goede verhouding tussen geslacht, ervaring en etniciteit, maar er ook voor zorgen dat de Kamerfractie voldoende expertise op verschillende gebieden heeft. Zo is er een grote kans dat kiezers zich vertegenwoordigd voelen.

Bezwaren huidige kiesstelsel

Relatie kiezer - parlementariër

Het huidige kiesstelsel stimuleert niet dat de volksvertegenwoordigers een sterke band onderhouden met de (groepen) kiezers die hen gekozen hebben. Andersom stimuleert het ook geen directe betrokkenheid van de kiezer bij het door hen gekozen Kamerlid. Dat komt omdat in het huidige systeem de meeste Kamerleden hun zetel te danken hebben aan hun plaats op de kandidatenlijst van hun partij en niet aan het aantal stemmen op hen persoonlijk. De meeste kiezers stemmen namelijk op de lijsttrekker van een partij. Door het gebrek aan onderlinge betrokkenheid kan de afstand tussen burger en politiek groot lijken.

Mandaat individueel Kamerlid

Naast het gebrek aan een persoonlijke band tussen kiezer en gekozene zit er nog een nadeel aan het feit dat de meeste Kamerleden op de slippen van hun lijsttrekker in de Kamer komen. Als er een breuk ontstaat tussen een Kamerlid en zijn fractie is het voor een Kamerlid in het huidige systeem mogelijk om een eigen fractie te beginnen met een beroep op het feit dat hij of zij door de kiezer gekozen is. Voor een Kamerlid dat in de Kamer gekomen is vanwege de plaats op de kandidatenlijst valt dat echter te betwijfelen.

Ongekozen regering

Waar kiezers in het huidige stelsel nauwelijks invloed op hebben, is wie er na de verkiezingen uiteindelijk aan de macht komen. Een stelsel van evenredige vertegenwoordiging leidt er namelijk meestal toe dat geen enkele partij de absolute meerderheid haalt. Dat betekent dat partijen na de verkiezingen een coalitie moeten gaan vormen die het land gaat regeren. De kiezer heeft echter geen invloed meer op wie uiteindelijk met elkaar gaan regeren. Evenmin heeft de kiezer invloed op de compromissen die partijen met elkaar sluiten om tot samenwerking te kunnen komen. Daarom heeft de Staatscommissie parlementair stelsel voorgesteld een gekozen formateur in te voeren.

Initiatieven 21e eeuw

Minister De Graaf: twee stemmen per kiezer

Het kabinet-Balkenende II wilde een nieuw kiesstelsel invoeren waarin kiezers twee stemmen uitbrengen: één op de landelijke lijst van een politieke partij en één op een districtskandidaat. De bedoeling van het voorstel van minister De Graaf was de band tussen kiezers en gekozenen te versterken door de helft van de Tweede Kamer in districten te kiezen. De kandidaten die in een district de meeste stemmen hadden gekregen zouden direct namens hun partij in de Tweede Kamer komen (mogelijk zou hierbij wel een bepaalde kiesdrempel gehanteerd worden). In totaal zouden op die manier 75 districtsvertegenwoordigers in de Tweede Kamer komen. Vervolgens zou op basis van de uitgebrachte eerste stemmen worden vastgesteld hoe de Tweede Kamerzetels naar evenredigheid over de partijen moesten worden verdeeld. Het vaste aantal van 150 Tweede Kamerleden zou gehandhaafd blijven. Het wetsvoorstel (29.986) werd op 8 februari 2005 ingediend.

Nadat minister De Graaf tijdens de Paascrisis van maart 2005 was afgetreden, werd zijn wetsvoorstel (29.986) ingetrokken, nog voordat de Tweede Kamer het had behandeld. Dit was de uitkomst van het Paasakkoord dat de Tweede Kamerfracties van CDA, VVD en D66 na de crisis sloten. In datzelfde akkoord spraken zij af dat er in plaats daarvan een voorstel zou komen om de voorkeurdrempel te verlagen. Minister Alexander Pechtold stelde als opvolger van De Graaf het Burgerforum kiesstelsel in.

Kabinet-Balkenende II: verlaging voorkeurdrempel

Het kabinet-Balkenende II wilde een voorkeurdrempel bij de Tweede Kamerverkiezingen verlagen van 25 procent naar 12,5 procent van de kiesdeler. Daartoe diende het kabinet op 21 december 2005 een wetsvoorstel (30.418) in. Hierdoor zouden kandidaten makkelijker via voorkeurstemmen in de Tweede Kamer kunnen komen: naar schatting zou een kandidaat ongeveer 7500 stemmen nodig hebben om op deze manier gekozen te worden.

Het voorstel werd op 28 juni 2006 behandeld in de Tweede Kamer, maar kwam niet in stemming vanwege de kabinetscrisis die daarna ontstond. Op 1 september 2006 werd dit voorstel onder het opvolgende kabinet-Balkenende III ingetrokken door de nieuwe minister van Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, Atzo Nicolaï, omdat de relatie tussen kiezer en gekozene er volgens hem niet mee gediend was. Het gevaar voor cliëntelisme ligt namelijk op de loer als een Kamerlid nog maar heel weinig kiezers vertegenwoordigt.

Minister Ollongren: Met één stem meer keus

De Staatscommissie parlementair stelsel constateerde in 2018 dat een groot deel van de kiezers zich niet goed vertegenwoordigd voelt in Tweede en Eerste Kamer. Zij kwamen met het voorstel dat de kiezer een stem moet kunnen uitbrengen op een partij of op één specifieke kandidaat daarvan, ter vervanging van de huidige voorkeurdrempel. Kiezers die op de partij stemmen, dragen bij aan een zetel die op basis van lijstvolgorde wordt toegewezen. Mensen die op een specifieke kandidaat stemmen, dragen bij aan een zetel die op basis van hoogste aantal voorkeursstemmen wordt toegewezen. Dit voorstel was eerder ook voorgesteld door het Burgerforum kiesstelsel. Dit moet de binding tussen kiezer en gekozene versterken. Minister Kajsa Ollongren liet in 2020 weten positief te staan tegenover het advies van de staatscommissie over aanpassing van het kiesstelsel voor de Tweede Kamer. De wet is voorgesteld, maar na fundamentele kritiek van de Raad van State niet ingediend bij de Tweede Kamer.

Kabinet-Schoof: meervoudig districtenstelsel met vereffeningszetels

In het hoofdlijnenakkoord van kabinet-Schoof was op initiatief van NSC afgesproken om te komen tot een nieuw evenredig kiesstelsel, waarbij gewerkt zou worden met kiesdistricten voor regionale binding. In het regeerprogramma werd dat uitgewerkt tot tien à twaalf kiesdistricten met regionale kandidatenlijsten, naast een landelijke lijst.

Minister Judith Uitermark (NSC) van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties liet het stelsel doorrekenen door de universiteiten van Leiden en Twente en stuurde dat onderzoek in januari 2025 naar de Tweede Kamer. In maart 2025 werd haar uitwerking bekend: twaalf kiesdistricten die samenvallen met de provincies, waarin 125 van de 150 Kamerleden gekozen zouden worden. De overige 25 zetels waren bedoeld als vereffeningszetels, die de landelijke evenredigheid moesten herstellen wanneer een partij in de districten minder zetels haalt dan haar landelijk toekomt. Het aantal zetels per district zou afhangen van het inwonertal. De Grondwet hoefde volgens Uitermark niet te worden gewijzigd; een wijziging van de Kieswet zou volstaan.

Zover is het niet gekomen. Het kabinet-Schoof viel op 3 juni 2025, voordat er een wetsvoorstel was ingediend. Het opvolgende kabinet nam het plan niet over.

Kabinet-Jetten: voorkeursstem en onderzoek naar een kiesdrempel

In het coalitieakkoord van D66, VVD en CDA van 30 januari 2026 staan twee voornemens over het kiesstelsel. Het eerste is om de voorkeursstem meer gewicht te geven, in lijn met wat de Staatscommissie parlementair stelsel en het Burgerforum eerder bepleitten. Het tweede is een voorstel om te onderzoeken of er een hogere kiesdrempel moet worden ingevoerd in Nederland.

Dat tweede voornemen sneuvelde nog voordat het kabinet-Jetten op 23 februari 2026 werd beëdigd. Onder leiding van de ChristenUnie dienden op 10 februari 2026 tien oppositiepartijen een motie in om nieuw onderzoek te voorkomen. In de motie verwezen de partijen naar eerdere conclusies van de Staatscommissie parlementair stelsel uit 2018. Daarin wees de staatscommissie een verhoging van de kiesdrempel af, omdat het een te grote afbreuk zou doen aan de representativiteit van het kiesstelsel. De oppositie vindt nieuw onderzoek daarom niet nodig en bovendien, met het oog op de in het coalitieakkoord voorgenomen bezuinigingen, zonde van het geld. De voltallige oppositie steunde de motie-Bikker c.s. en behaalde zo een Kamermeerderheid.

Dat was mogelijk doordat het kabinet-Jetten een minderheidskabinet is: de drie coalitiepartijen hebben samen 66 van de 150 zetels, de dertien oppositiepartijen 84. Het was de eerste keer dat de verenigde oppositie een plan uit het coalitieakkoord wegstemde.


Meer over