Artikel 3: Gelijke benoembaarheid
Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.
In andere talen:
Inhoud
Toelichting
Dit artikel geeft aan dat iedere Nederlander in principe bij de overheid kan werken als hij of zij aan de gestelde eisen voldoet.
Formele toelichting
Elke Nederlander heeft recht op gelijke benoembaarheid in openbare dienst (artikel 3). De term openbare dienst heeft betrekking op alle openbare lichamen en andere publieke organen en instanties.
In eenvoudig Nederlands
Iedere Nederlander kan een baan krijgen bij de overheid.
Uitleg
Dit artikel hoort bij artikel 1. 'We behandelen iedereen op dezelfde manier'. Iedere Nederlander kan werken bij de overheid, bijvoorbeeld bij ministeries, provincies en gemeenten. Natuurlijk alleen als je voldoet aan de eisen die horen bij de baan. Voor sommige banen mag de overheid letten op het wel of niet lid zijn van een bepaalde politieke partij.
In het artikel staat 'Nederlander' maar in veel gevallen mogen ook niet-Nederlanders werken bij de overheid. Er zijn wel uitzonderingen. Voor sommige banen, bijvoorbeeld in de rechtspraak of in het leger, mag de overheid zeggen dat je Nederlander moet zijn.
Historische ontwikkeling
In de Republiek waren openbare ambten in de praktijk voorbehouden aan leden van de Gereformeerde Kerk. Katholieken en Joden waren uitgesloten. De Bataafse Revolutie maakte daar een einde aan. De Staatsregeling van 1798 verklaarde alle ambten gelijkelijk toegankelijk voor burgers. De Grondwet van 1815 legde vast dat iedereen, “zonder onderscheid van rang en geboorte”, benoembaar was in openbare functies.
Bij de algehele grondwetsherziening van 1983 kreeg artikel 3 zijn huidige formulering.
Debat
Voorkeursbeleid
Hoe verhoudt voorkeursbeleid bij benoemingen zich met gelijke benoembaarheid? Toenmalig Tweede Kamerlid Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren) diende in 2016 een initiatiefvoorstel in om positieve discriminatie te beëindigen, met het argument dat zulk beleid per definitie discriminatie oplevert.
De Afdeling advisering van de Raad van State adviseerde het voorstel te heroverwegen. Het Verdrag tegen rassendiscriminatie en het EVRM houden onder omstandigheden juist een mogelijkheid en zelfs een plicht in om voorkeursbeleid te voeren, gericht op het verminderen van structurele achterstanden. Het argument dat zulk beleid per definitie discriminatie is, gaat volgens de Afdeling dan ook niet op.
Tijdlijn van het artikel
Wat veranderde er ?
gemarkeerd = toegevoegd · doorgestreept = verwijderd