Artikel 23: Het openbaar en bijzonder onderwijs
- Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
- Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
- Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
- In elke gemeente en in elk van de openbare lichamen, bedoeld in artikel 132a, wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
- De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
- Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
- Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
- De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
In andere talen:
Inhoud
Toelichting
De overheid heeft de zorg voor het onderwijs. Het geven van onderwijs is vrij, maar de overheid houdt er wel toezicht op. Eén en ander is in de wet geregeld, evenals het toezicht op het onderwijs en de vormen van onderwijs. Daarbij moet de wetgever wel rekening houden met ieders godsdienst of levensovertuiging.
In of vanuit iedere gemeente moet gelegenheid zijn openbaar basisonderwijs te volgen. Bij uitzondering kan dat ook in een niet openbare school plaatsvinden, bijvoorbeeld bij scholen waar het bijzonder en openbaar onderwijs samenwerken.
In het artikel is ook het bijzonder onderwijs zeker gesteld. Het gaat dan om de vrijheid van richting van het bijzonder onderwijs en om de financiële gelijkstelling van het openbaar onderwijs en het bijzonder onderwijs. De eisen waar het openbare en bijzonder onderwijs aan moet voldoen moeten in een wet staan.
De regering moet ieder jaar aan de Staten-Generaal een verslag geven over de toestand van het onderwijs.
Voor de diverse vormen van onderwijs is uitgebreide wetgeving tot stand gekomen, bijvoorbeeld de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderwijs, en de Wet studiefinanciering 2000. Verder is er een wet die het toezicht op het onderwijs regelt.
Formele toelichting
In artikel 23 is vastgelegd dat het onderwijs voorwerp van overheidszorg is, en dat het geven van onderwijs vrij is, behoudens het bij de wet te regelen toezicht van de overheid. Het derde en vierde lid bevatten de grondwettelijke waarborgen met betrekking tot het openbaar onderwijs.
Het derde lid bepaalt dat het openbaar onderwijs bij de wet wordt geregeld, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging.
In het vierde lid zijn de voorschriften met betrekking tot de aanwezigheid van openbaar algemeen vormend lager onderwijs omschreven. In dit lid wordt ook tot uitdrukking gebracht dat het openbaar onderwijs bij uitzondering ook in andere dan openbare scholen kan worden gegeven. Hiermee wordt verzekerd dat een regeling voor samenwerkingsscholen verenigbaar is met artikel 23 Grondwet.
Voorts bevat het grondwetsartikel waarborgen voor het bijzonder onderwijs, met name betreffende de vrijheid van richting van het bijzonder onderwijs en de financiële gelijkstelling van het openbaar onderwijs en het bijzonder onderwijs dat aan bij de wet te stellen bekostigingsvoorwaarden voldoet.
Tenslotte wordt aan de regering de plicht opgelegd jaarlijks aan de Staten-Generaal verslag te geven van de staat van het onderwijs.
Voor de diverse vormen van onderwijs is uitgebreide wetgeving tot stand gekomen, bijvoorbeeld de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderwijs, en de Wet studiefinanciering 2000.
In eenvoudig Nederlands
- De regering zorgt voor het onderwijs.
- Iedereen mag onderwijs geven. Maar de overheid houdt toezicht op het onderwijs. En de overheid moet ook onderzoeken of de mensen die onderwijs geven dat ook goed kunnen. In de wet staat hoe de overheid dit doet.
- De overheid zorgt voor openbaar onderwijs. Openbaar onderwijs is onderwijs voor iedereen. Ook voor mensen met een godsdienst of levensovertuiging. In de wet staat hoe de overheid zorgt voor het openbaar onderwijs.
- In elke gemeente moeten genoeg openbare basisscholen zijn. Als dit niet zo is, moet de overheid ervoor zorgen dat kinderen op een andere manier openbaar onderwijs krijgen. Dit staat in de wet.
- In de wet staan de eisen die de overheid moet stellen aan de kwaliteit van het openbaar onderwijs en het bijzonder onderwijs. Het bijzonder onderwijs mag een eigen visie kiezen, bijvoorbeeld op basis van geloof of mensbeeld.
- De eisen voor de kwaliteit van het basisonderwijs zijn zo opgeschreven, dat de kwaliteit van het bijzonder onderwijs en het openbaar onderwijs hetzelfde kan zijn. Het bijzonder onderwijs mag wel zelf bepalen welke boeken en andere leermiddelen het gebruikt. Ook mag het bijzonder onderwijs zelf bepalen welke onderwijzers lesgeven.
- Bijzondere basisscholen krijgen van de overheid evenveel geld als openbare basisscholen. In de wet staat hoeveel geld het bijzonder voortgezet onderwijs van de overheid krijgt.
- De regering stuurt ieder jaar een verslag aan de Eerste en Tweede Kamer. Daarin staat hoe het gaat met de kwaliteit van het onderwijs.
Uitleg
In artikel 23 van de Grondwet staat een echt Nederlands grondrecht. Dit grondrecht bestaat in de meeste landen van de wereld niet.
Wat staat er in artikel 23? In artikel 23 staat dat we in Nederland twee soorten onderwijs hebben, openbaar onderwijs en bijzonder onderwijs:
- openbaar onderwijs is er voor iedereen. Voor mensen met of zonder godsdienst of levensovertuiging. De overheid zorgt voor het openbaar onderwijs.
- bijzonder onderwijs is voor mensen met een godsdienst of een levensovertuiging.
Echt Nederlands is dat de overheid beide soorten onderwijs betaalt. In veel landen betaalt de overheid alleen onderwijs voor iedereen. In Nederland betaalt de overheid ook bijzonder onderwijs.
Iedereen in Nederland mag onderwijs geven. Dit is de vrijheid van onderwijs. Als een groep ouders een aparte christelijke basisschool wil voor hun kinderen, dan moet de overheid die school betalen. In de wet staat hoeveel leerlingen hiervoor nodig zijn.
Op deze manier zijn in de vorige eeuw heel veel verschillende soorten christelijke scholen gebouwd. Ook ouders van andere godsdiensten kunnen een school beginnen. Zo zijn er de afgelopen jaren bijvoorbeeld ook islamitische scholen gekomen. De overheid betaalt al deze scholen.
Maar de overheid kijkt ook of deze scholen wel goed onderwijs geven. Dit doet de Inspectie van het Onderwijs.
De overheid moet niet alleen zorgen voor dat ouders bijzonder onderwijs kunnen beginnen. De overheid moet ook zorgen dat er in iedere gemeente genoeg openbare basisscholen zijn. Als dat niet kan, moet de overheid ervoor zorgen dat kinderen op een andere manier openbaar onderwijs kunnen krijgen. Bijvoorbeeld door bussen te laten rijden naar een openbare school in de buurt. Of door een kind openbaar onderwijs te geven in een bijzondere school.
De Inspectie van het Onderwijs onderzoekt of het onderwijs goed is. In de wet staan de kwaliteitseisen voor het openbaar onderwijs en het bijzonder onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs onderzoekt of scholen aan deze kwaliteitseisen voldoen.
De Inspectie van het Onderwijs onderzoekt dus ook de kwaliteit van het bijzonder onderwijs. Maar de Inspectie mag zich niet bemoeien met zaken die met de godsdienst of de levensovertuiging te maken hebben. Een voorbeeld: een bijzondere school gebruikt boeken waarin staat dat God of Allah de mens heeft gemaakt. De Inspectie mag dan niet zeggen dat dat niet goed is. Ook mag de Inspectie zich niet bemoeien met de onderwijzers van het bijzonder onderwijs.
Openbare en bijzondere scholen krijgen van de overheid evenveel geld. De overheid geeft niet alleen geld aan bijzondere basisscholen, maar ook aan bijzonder voortgezet onderwijs (vmbo's, havo's, vwo's, gymnasia), bijzonder beroepsonderwijs (ROC's, AOC's) en bijzonder hoger onderwijs (hbo's, universiteiten).
Historische ontwikkeling
Artikel 23 bestaat uit acht leden. Het eerste en het achtste lid zijn het oudst. Die gaan terug op de Grondwet van 1814.
Over de vrijheid van onderwijs werd toen al gestreden. De onderwijswet van 1806 legde vast dat bijzondere scholen alleen met toestemming van de overheid mochten worden opgericht. Zij mochten alleen ‘verlicht-neutraal christelijk’ onderwijs geven.
De vrijheid van schoolonderwijs kwam in 1848, in artikel 194 van de Grondwet, en werd uitgewerkt in de onderwijswet van 1857. Zo ontstond het bestel van openbaar en bijzonder onderwijs. Geld kreeg het bijzonder onderwijs niet. Liberalen achtten het subsidiëren van religieus onderwijs in strijd met de scheiding van kerk en staat. Bij de grondwetsherziening van 1887 werd uitgesproken dat de Grondwet subsidiëring van het bijzonder onderwijs niet verbiedt.
In 1917 werd de schoolstrijd beslecht met de Pacificatie. Openbaar en bijzonder lager onderwijs werden financieel gelijkgesteld. Dat lukte doordat alle partijen elkaar nodig hadden. De confessionelen zochten steun voor gelijke bekostiging, en liberalen en sociaaldemocraten hadden hen nodig voor het algemeen kiesrecht. De opzet van het artikel is nog steeds die van 1917.
Bij de algehele grondwetsherziening van 1983 werd artikel 23 niet gewijzigd. Partijen konden het niet eens worden over een nieuwe tekst.
Sindsdien is het artikel twee keer aangepast. In 2006 werd het vierde lid verruimd om de samenwerkingsschool mogelijk te maken. In 2017 kwamen daar de openbare lichamen van artikel 132a bij, zodat de opdracht tot openbaar onderwijs ook voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt.
Debat
Kansengelijkheid tegenover onderwijsvrijheid
De kritiek op artikel 23 richt zich al jarenlang op de ruimte die scholen hebben om leerlingen en leraren te weigeren op grond van hun levensbeschouwing.
Kamerlid Habtamu de Hoop (voorheen PvdA, nu PRO) diende op 6 oktober 2021 een voorstel in om artikel 23 te veranderen. Hij wil het recht van ieder kind op onderwijs in de Grondwet opnemen, de wetgever opdragen te zorgen voor kansengelijkheid, persoonlijkheidsvorming en respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, en een algemene acceptatieplicht invoeren. Al het bekostigde onderwijs zou voor iedereen toegankelijk moeten worden. Het voorstel ligt nog in eerste lezing bij de Tweede Kamer.
In de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 2025 kwam het onderwerp weer op de agenda te staan. CDA-leider Henri Bontenbal zei bij Nieuwsuur dat scholen mogen verschillen in hun visie op homoseksualiteit en dat de onderwijsvrijheid mag “botsen” met het gelijkheidsbeginsel. Na felle reacties zei hij een dag later dat hij van zijn eigen antwoord baalde.
Op 9 december 2025 nam de Tweede Kamer met 72 tegen 70 stemmen een motie van het VVD-lid Kisteman aan, die de regering vraagt te onderzoeken hoe kan worden gewaarborgd dat gelijke behandeling nooit wordt geschonden door de richting van een school.
Tijdlijn van het artikel
Wat veranderde er ?
gemarkeerd = toegevoegd · doorgestreept = verwijderd