Artikel 94: Voorrang internationale rechtsorde boven nationale wet
Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
In andere talen:
Inhoud
Toelichting
Het is mogelijk dat nationale wettelijke voorschriften in strijd zijn met internationale bepalingen. Dan gaan de internationale bepalingen voor. Zo was bijvoorbeeld het ontbreken van een weduwnaarspensioen in de (inmiddels vervallen) Algemene Weduwen- en Wezenwet in strijd met het gelijkheidsbeginsel uit het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
Deze voorrang geldt niet voor het ongeschreven volkenrecht omdat de werking van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties bekendgemaakt moet zijn door middel van publicatie (artikel 93). Met het ongeschreven recht is dat niet het geval.
Formele toelichting
Mocht blijken dat nationale wettelijke voorschriften in strijd zijn met internationale bepalingen in verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, dan moet de toepassing van de nationale voorschriften achterwege worden gelaten; de internationale bepalingen gaan dan voor.
Zo is, om een voorbeeld te noemen, het ontbreken van een weduwnaarspensioen in de (inmiddels vervallen) Algemene Weduwen- en Wezenwet in strijd geacht met het gelijkheidsbeginsel uit het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
Deze voorrang wordt in artikel 94 niet toegekend aan het ongeschreven volkenrecht. De werking in de nationale rechtsorde van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, is afhankelijk gesteld van hun bekendmaking.
Met het oog daarop bepaalt artikel 95, dat de wet regels dient te geven omtrent die bekendmaking. Deze wettelijke regeling is sinds 1994 opgenomen in de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen.
In eenvoudig Nederlands
Afspraken in internationale verdragen en beslissingen van internationale organisaties die voor burgers gelden zijn belangrijker dan Nederlandse wetten.
Uitleg
In dit artikel staat dat afspraken in internationale verdragen en beslissingen van internationale organisaties belangrijker zijn dan Nederlandse wetten.
Dit betekent dat iedere overheidsorganisatie en iedere rechter de plicht heeft een Nederlandse wet niet toe te passen, als een internationaal verdrag iets anders zegt dan onze wet. Dit is alleen zo als in het verdrag rechten en plichten van burgers staan.
Historische ontwikkeling
Nationale wettelijke voorschriften blijven buiten toepassing als zij onverenigbaar zijn met een ieder verbindende verdragsbepalingen. Verdragen gaan dan voor. Deze voorrangsregel is in 1953 in de Grondwet gekomen. Dat gebeurde tegen de wens van de regering in, via het door de Tweede Kamer aangenomen amendement-Serrarens. De regering wilde de kwestie aan de rechtsontwikkeling overlaten. De voorrang geldt niet alleen boven de formele wet, maar ook boven de Grondwet zelf en boven lagere regelgeving.
Bij de algehele herziening van 1983 werd de bepaling uitgebreid met besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Artikel 94 is sinds 1983 ongewijzigd.
Debat
Urgenda en de grenzen van de rechter
De voorrang van verdragsrecht stelt de rechter in staat om, anders dan bij de Grondwet, wetgeving en overheidshandelen te toetsen aan mensenrechtenverdragen. Dat was ook het geval in het Urgenda-arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019, waarin de Staat op grond van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) werd verplicht de uitstoot van broeikasgassen sneller terug te dringen. Critici spraken van een ‘rechtersstaat’ en vroegen zich af of de rechter niet op de stoel van de wetgever ging zitten. Voorstanders wezen erop dat juist het ontbreken van constitutionele toetsing (artikel 120) deze route via verdragen onmisbaar maakt.
De motie-Clemminck/Schilder (2026)
Tijdens het debat over de staat van de rechtsstaat op 24 juni 2026 dienden de Kamerleden Clemminck (JA21) en Schilder (Groep Markuszower) een motie in die de regering verzocht nog datzelfde jaar een procesvoorstel te sturen om artikel 94 geheel af te schaffen. Volgens de indieners kan democratisch tot stand gekomen wetgeving door de bepaling opzij worden gezet door internationale regels, terwijl de soevereiniteit en het politieke primaat bij het parlement horen te liggen. Het kabinet ontraadde de motie, die op 30 juni 2026 met 49 tegen 101 stemmen werd verworpen.
Tijdlijn van het artikel
Wat veranderde er ?
gemarkeerd = toegevoegd · doorgestreept = verwijderd