Artikel 119: Ambtsmisdrijven
De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.
In andere talen:
Inhoud
Toelichting
Ambtsmisdrijven van Tweede en Eerste Kamerleden, ministers en staatssecretarissen worden, ook na hun aftreden, door de Hoge Raad berecht. De opdracht tot vervolging wordt met een koninklijk besluit of met een besluit van de Tweede Kamer gegeven. Een voorbeeld van een ambtsmisdrijf is het bekendmaken van een staatsgeheim of het aannemen van steekpenningen.
Bij de vervolging van ministers en staatssecretarissen is de Wet ministeriële verantwoordelijkheid uit 1855 van toepassing. In 2018 is die wet gemoderniseerd.
Dit artikel heeft twee keer toepassing gehad, maar dat was nog op basis van de bepalingen uit de Grondwet van 1814, die sprak over misdrijven 'in de waarneming hunner functiën begaan'. Minister Pels Rijcken van Marine werd in 1868 door de Hoge Raad veroordeeld vanwege overtreding van een veterinaire wet. Hij had zijn hond los laten lopen in een gebied waar dat vanwege de veetyphus verboden was. Hij werd daarvoor (bij verstek) door de Hoge Raad tot een boete van tien gulden of een dag gevangenisstraf veroordeeld. Thorbecke werd in 1851 tot een boete veroordeeld voor het niet nakomen van de Militiewet (het niet aanmelden van zijn zoon).
Formele toelichting
De artikelen 118 en 119 van de Grondwet betreffen de wijze van benoeming van de leden van de Hoge Raad en de taken van dit college.
De leden van de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit uit een voordracht van de Tweede Kamer benoemd. Van de taken van de Hoge Raad vermeldt de Grondwet er twee uitdrukkelijk: de Hoge Raad is belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht, en met de berechting in eerste en enige instantie van ambtsmisdrijven van Kamerleden, ministers en staatssecretarissen.
Wat de laatstgenoemde taak betreft: de opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij besluit van de Tweede Kamer.
In eenvoudig Nederlands
De Hoge Raad berecht leden van de Eerste en Tweede Kamer, ministers en staatssecretarissen die een misdaad hebben gepleegd die met hun werk te maken heeft. Ook als ze dit werk niet meer doen. Alleen de regering of de Tweede Kamer kan beslissen hen te laten berechten.
Uitleg
Als leden van de Eerste en Tweede Kamer, ministers en staatssecretarissen een misdrijf plegen, zoals diefstal of moord, worden ze net als andere mensen berecht door een gewone rechter. Maar als leden van de Eerste en Tweede Kamer, ministers en staatssecretarissen een misdrijf plegen dat te maken heeft met hun werk, dan moet de Hoge Raad hen berechten. Bijvoorbeeld als ze een staatsgeheim bekendmaken. Of een vriend een goedbetaalde baan geven.
Zij kunnen ook nog worden berecht als ze al geen lid meer zijn van de Eerste of Tweede Kamer, of geen minister of staatssecretaris meer zijn.
Wie mag beslissen dat zij moeten worden berecht door de Hoge Raad? Dat mag alleen de regering of de Tweede Kamer doen.
In de visie van Kortmann
In 2008 heeft prof. dr. C.A.J.M. Kortmann een voorstel gedaan voor een "goede grondwet die inzichtelijk en bij de tijd is". Voor dit artikel deed hij de volgende suggestie:
Artikel 21
De organieke wet regelt welke ambtsdragers in welke gevallen wegens ambtsmisdrijven terecht staan voor de Hoge Raad. Zij regelt de procedure
Achtergronden
Naar aanleiding van het lekken van stukken door een Tweede Kamerlid, voorafgaand aan Prinsjesdag 2009, concludeerde de commissie-De Wijkerslooth dat de weg van strafrechtelijke vervolging van een Kamerlid feitelijk 'onbegaanbaar is', omdat opsporingsbevoegdheden ontbreken en er een onderzoekstermijn van maximaal drie maanden geldt.
Tijdlijn van het artikel
Wat veranderde er ?
gemarkeerd = toegevoegd · doorgestreept = verwijderd