Artikel 38: Uitoefening koninklijk gezag Raad van State
Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.
In andere talen:
Inhoud
Toelichting
Als het koninklijk gezag niet kan worden uitgeoefend door de koning of door een regent, oefent de Raad van State het koninklijk gezag uit.
In eenvoudig Nederlands
De Raad van State doet het werk van de Koning, als er geen Koning en ook nog geen plaatsvervanger is.
Uitleg
Het kan gebeuren dat we geen Koning hebben en ook geen plaatsvervanger. In dit artikel staat wat er dan gebeurt. In die situatie doet de Raad van State het werk van de Koning. De Raad van State is de belangrijkste adviseur van de regering en de Eerste en Tweede Kamer.
Historische ontwikkeling
De Raad van State kan sinds de Grondwet van 1814 het koninklijk gezag waarnemen. De achterliggende gedachte is dat er staatsrechtelijk nooit een vacuüm in de uitoefening van het koninklijk gezag mag bestaan.
Artikel 38 kreeg zijn huidige vorm bij de algehele grondwetsherziening van 1983 en is sindsdien ongewijzigd. De bepaling is tweemaal toegepast, beide keren rond koning Willem III en telkens voor een korte periode: een keer doordat Willem III het gezag weer zelf kon uitoefenen, de andere keer doordat een regent het koninklijk gezag aannam toen Willem III overleed.
Debat
Bedoeld als noodoplossing
De regering benadrukte in 1983 dat waarneming door de Raad van State alleen voor zeer korte periodes wenselijk is en in feite een noodoplossing vormt. Mede daarom werd in artikel 37 onderdeel e toegevoegd, om ook bij ontbreken van een opvolger zo spoedig mogelijk een regent te benoemen in plaats van langdurig op de Raad terug te vallen.
Tijdlijn van het artikel
Wat veranderde er ?
gemarkeerd = toegevoegd · doorgestreept = verwijderd