Artikel 30: Benoeming troonopvolger
- Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.
- Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.
In andere talen:
Inhoud
Toelichting
Als het ernaar uit ziet dat de koning bij overlijden geen troonopvolger achterlaat, of als de koning inderdaad doodgaat zonder dat er een troonopvolger is, benoemen de Staten-Generaal in verenigde vergadering een koning. De procedure is als volgt:
- bij het vooruitzicht dat er geen troonopvolger is, dient de regering een wetsvoorstel in. Na het indienen worden beide Kamers ontbonden. Een initiatiefvoorstel is uitgesloten.
- als bij het overlijden van de Koning geen troonopvolger beschikbaar is moeten de Kamers binnen vier maanden worden ontbonden. De nieuwe Kamers nemen een besluit over de benoeming van een opvolger, maar dat hoeft niet per wet.
De nieuwe Kamers nemen dan in beide gevallen, met twee derden van de uitgebrachte stemmen een besluit.
Door de Kamerontbinding en nieuwe verkiezingen worden ook de kiezers bij de benoeming betrokken. Een nieuwe koning wordt in beide gevallen benoemd met twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.
Formele toelichting
Als een wettige troonopvolger ontbreekt, kan de regering een troonopvolger of Koning voorstellen door het indienen van een wetsvoorstel.
De Eerste en Tweede Kamer worden in dat geval ontbonden en er worden verkiezingen uitgeschreven. Na verkiezingen moet een gezamenlijke vergadering van de Eerste en Tweede Kamer zich over de opvolger uitspreken. De opvolger kan alleen benoemd worden als de gezamenlijke vergadering met een meerderheid van ten minste twee derden van de stemmen goedkeuring verleent.
In eenvoudig Nederlands
- Als er geen troonopvolger is, dan mag de regering een voorstel doen voor een wet om een troonopvolger te benoemen. Daarna komen er verkiezingen voor de Eerste en Tweede Kamer. De nieuwe Eerste en Tweede Kamer vergaderen samen over deze wet. Daarna stemmen ze over deze wet. Zij kunnen de wet alleen aannemen als twee derde van het aantal stemmen of meer voor de wet is.
- Als er geen troonopvolger is als de Koning doodgaat of als de Koning geen Koning meer wil zijn, dan komen er verkiezingen voor de Eerste en Tweede Kamer. De nieuwe Eerste en Tweede Kamer vergaderen binnen vier maanden samen over de benoeming van een nieuwe Koning. Daarna stemmen ze over de benoeming. Zij kunnen de troonopvolger alleen benoemen als twee derde van het aantal stemmen of meer voor de wet is.
Uitleg
Als er geen wettige opvolger is voor de Koning, dan moet er toch een nieuwe Koning of troonopvolger komen. Dan moet de regering een troonopvolger of een Koning benoemen. Maar dan moeten wel zoveel mogelijk mensen in het land het ermee eens zijn.
Daarom komen er in dit geval verkiezingen. Politieke partijen kunnen dan zeggen wat ze vinden van de troonopvolger. Na de verkiezingen benoemen de leden van de nieuwe Eerste en Tweede Kamer de troonopvolger of de nieuwe Koning. Op deze manier hebben de burgers invloed op wie dan de troonopvolger of de nieuwe Koning wordt.
De Eerste en Tweede Kamer moeten samen beslissen wie de troonopvolger of de nieuwe Koning wordt. Zo zorgt de wet dat de Eerste en Tweede Kamer niet allebei een andere troonopvolger of Koning willen.
De Eerste en Tweede Kamer mógen een troonopvolger of nieuwe Koning kiezen. Ze moeten dat niet. Ze kunnen er ook voor kiezen om verder te gaan met een president. Daarvoor moeten ze wel de Grondwet veranderen.
Historische ontwikkeling
Al sinds de Grondwet van 1814 kent Nederland een voorziening voor het geval een erfopvolger zou ontbreken. Artikel 9 van de Grondwet van 1814 verplichtte de soeverein vorst in dat geval een opvolger aan de Staten-Generaal voor te dragen. De latere artikelen in 1815 en 1848 volgden dezelfde lijn. De grondwetgever ging ervan uit dat de monarchie hoe dan ook moest worden voortgezet. Geen opvolger benoemen was geen optie.
Bij de grondwetsherziening van 1922 werd de formulering versoepeld. De bepaling gebruikt sindsdien een vrijwillige formulering: een opvolger ‘kan’ worden benoemd, en de Staten-Generaal besluiten ‘omtrent’ de benoeming. Dat opent in theorie de mogelijkheid om geen opvolger te benoemen, wat een overgang naar een republikeinse staatsvorm zou betekenen. De achtergrond van de herziening van 1922 was de precaire opvolgingssituatie van koningin Wilhelmina, die destijds slechts één dochter had (Juliana) en verder vooral verre verwanten in het buitenland. Tegelijk werd in 1922 de erfopvolging beperkt tot de derde graad (zie art. 25).
Bij de algehele grondwetsherziening van 1983 kreeg de bepaling haar huidige vorm. Artikel 30 is sinds 1983 ongewijzigd en is nog nooit toegepast.
Debat
Vrijwillige formulering en staatsvormkeuze
De vrijwillige formulering (‘kan’) maakt het theoretisch mogelijk geen opvolger te benoemen. De literatuur wijst erop dat dit in feite een grondwettelijke route naar een republiek opent, zonder dat daar een volledige grondwetsherziening voor nodig is. Of het invoeren van een republikeinse staatsvorm wenselijk is, is een terugkerend discussiepunt.
Tijdlijn van het artikel
Wat veranderde er ?
gemarkeerd = toegevoegd · doorgestreept = verwijderd